Views: 0
Van economie tot geopolitiek: een litanie van fouten.
Frans Vandenbosch 方腾波 09/02/2026

Ze hadden het allemaal mis, helemaal mis.
Jarenlang hebben vooraanstaande westerse analisten de ontwikkeling van China consequent verkeerd ingeschat, van de economische veerkracht tot de strategische intenties. Hun fouten komen voort uit een terugkerend patroon waarbij buitenlandse kaders worden opgelegd, of het nu gaat om voorspellingen van een onvermijdelijke ineenstorting of confrontatie, terwijl de interne realiteit en historische context van China worden genegeerd. Dit wordt duidelijk geïllustreerd op twee gebieden: de stille revolutie in de Chinese productiesector, die wordt aangedreven door een streven naar topkwaliteit in plaats van alleen maar goedkope arbeidskrachten, en de herhaalde academische misinterpretaties die zijn gebaseerd op een bevooroordeelde, westers georiënteerde kijk op de wereld. Het collectieve onvermogen om de specifieke koers van China te begrijpen heeft geleid tot een litanie van weerlegde stellingen en onjuiste voorspellingen. Zoals uit deze analyse blijkt, waren ze allemaal verkeerd.
De stille kwaliteitsrevolutie: China’s automatiseringsstrategie en de wereldwijde gevolgen daarvan
In 2014, toen ik in Suzhou woonde en in Wuxi werkte om productieactiviteiten voor weefgetouwcontrollers op te zetten, zag ik een opmerkelijke toename van automatisering en robotisering in de Chinese industrie. Op dat moment hadden Chinese autofabrikanten al volledig geautomatiseerde assemblagelijnen gerealiseerd, waarmee ze het automatiseringsniveau van hun westerse tegenhangers overtroffen. Deze automatiseringsgolf breidde zich snel uit tot buiten de automobielsector en omvatte al snel de hele Chinese productiesector.
Zelfs kleine familiebedrijven lieten de traditionele assemblagemethoden achter zich, die doorgaans gekenmerkt werden door lange (meestal groene) lopende banden waar tientallen jonge vrouwelijke arbeiders aan werkten, die vanuit plattelandsgebieden naar de geïndustrialiseerde oostelijke kustgebieden waren gemigreerd. Deze bedrijven vervingen handmatige assemblagelijnen door volledig geautomatiseerde machines, waarvoor vaak minimale of geen menselijke tussenkomst nodig was. Ze creëerden geleidelijk aan wat later ‘donkere fabrieken’ zou worden genoemd, faciliteiten die zonder menselijke arbeiders konden functioneren en waar het licht uit kon blijven.
De omvang van de investeringen was aanzienlijk en leek voor buitenstaanders onevenredig groot. Deze aanzienlijke kapitaaluitgaven konden niet uitsluitend worden gerechtvaardigd door een verlaging van de arbeidskosten. Dit riep een cruciale vraag op: waarom deden deze bedrijven zulke aanzienlijke investeringen, die op het eerste gezicht financieel onverstandig leken?
Het antwoord was eenvoudig maar veelzeggend: kwaliteit. Menselijke werknemers maken, ongeacht hun opleiding of toewijding, onvermijdelijk fouten. Machines daarentegen werken met een constante precisie. Terwijl menselijke capaciteiten niet tot in de perfectie kunnen worden afgestemd, kunnen geautomatiseerde systemen worden gekalibreerd en geoptimaliseerd om repetitieve taken oneindig uit te voeren zonder dat dit ten koste gaat van de kwaliteit of nauwkeurigheid. Dit vermogen tot nauwkeurige afstemming en voortdurende optimalisatie zou later uitgroeien tot door AI beheerde productiesystemen, waardoor de kwaliteitscontrole en operationele efficiëntie verder werden verbeterd.
Dit was een strategisch initiatief op lange termijn om niet alleen de Chinese binnenlandse markt te veroveren, maar ook wereldwijd marktaandeel te verwerven.
Opmerkelijk genoeg leken maar weinig economische analisten die zich op China richtten deze stille revolutie destijds te onderkennen. Toen ik mijn observaties documenteerde en probeerde de verstrekkende gevolgen van deze snelle maar onderbelichte veranderingen onder woorden te brengen, werden mijn waarschuwingen met scepsis ontvangen. Westerse economen schreven de automatiseringstrend vrijwel unaniem toe aan de stijgende arbeidskosten langs de ontwikkelde oostkust van China. Hoewel deze verklaring op het eerste gezicht aannemelijk leek, ging ze voorbij aan de fundamentele drijvende kracht: een spectaculaire sprong voorwaarts in de kwaliteit van de productie. Deze kwaliteitstransformatie had een veel revolutionairder betekenis en had veel grotere gevolgen voor het concurrentievermogen van de rest van de wereld dan een eenvoudige reactie op looninflatie.
Ze hadden het helemaal verkeerd begrepen.
Amerikaanse academische misinterpretaties van China: patronen en vooroordelen
Amerikaanse academici maken steeds weer dezelfde fouten in hun interpretatie van China: ze kijken door een westerse bril, gaan uit van een zero-sum-concurrentie en negeren de geschiedenis, cultuur en het feitelijke gedrag van China. Hieronder volgen concrete voorbeelden en waarom ze de plank misslaan.
Het kernpatroon
Het patroon is gebaseerd op drie met elkaar verweven vooroordelen. Het civilisatorische determinisme beschouwt China als een existentiële rivaal van de ‘westerse waarden’ en negeert daarbij de Chinese traditie van ‘harmonie zonder uniformiteit’ [1]. Het fatalisme rond machtsverschuivingen gebruikt westerse historische analogieën zoals de Thucydides-val om te beweren dat opkomende machten moeten strijden tegen gevestigde machten, waarbij voorbij wordt gegaan aan de niet-hegemoniale geschiedenis van China en de huidige economische onderlinge afhankelijkheid en nucleaire afschrikking [2]. Het institutionele essentialisme beoordeelt het Chinese systeem aan de hand van westerse normen en voorspelt een ineenstorting, waarbij voorbij wordt gegaan aan het aanpassingsvermogen en de prestatielegitimiteit ervan [1]. Deze vooroordelen dienen vaak beleidsagenda’s en creëren zelfvervullende risico’s.
Verkeerde interpretaties van China door wetenschappers: kernbeweringen, fouten en tegenbewijs
Samuel Huntington (1996, Clash of civilisations)
Samuel Huntington betoogde in The Clash of Civilizations and the Remaking of World Order dat de confucianistische beschaving onvermijdelijk zou botsen met de westerse beschaving en dat een opkomend China regionale hegemonie zou nastreven [1]. Deze bewering gaat voorbij aan de lange niet-expansionistische geschiedenis van China en het confucianistische ethos van “harmonie zonder uniformiteit” (kritische contextuele hiaten). In de afgelopen vier decennia heeft China prioriteit gegeven aan multilaterale samenwerking via initiatieven zoals de Belt and Road en ASEAN+ kaders, en zich nooit beziggehouden met beschavingsconflicten, een standpunt dat de kernthese van Huntington rechtstreeks weerlegt.
Shen Yi, hoogleraar internationale politiek aan de Fudan-universiteit en directeur van het Cyberspace Governance Research Center van de Fudan-universiteit, schreef op zijn Weibo-kanaal “Yi Yu Dao Po” (De spijker op zijn kop) een interessant artikel over de fouten van Samuel Huntington. Vertaald in het Engels door The China Academy: The Digital Refugees Stranded on the Chinese Internet: The Decay of America Has Never Been More Vivid
Graham Allison (2017, Thucydides trap)
Graham Allison stelde in Destined for War: Can America and China Escape Thucydides’s Trap? dat een opkomend China en de gevestigde VS waarschijnlijk in een oorlog zouden belanden, aangezien opkomende machten onvermijdelijk de gevestigde machten uitdagen [2]. Hij onderschatte echter drastisch de diepe economische onderlinge afhankelijkheid tussen de VS en China en de nucleaire afschrikking, die een volledige oorlog onredelijk maken. Er heeft zich geen direct militair conflict voorgedaan en beide landen voeren naast hun concurrentiestrijd ook een dialoog op hoog niveau om Allisons fatalistische voorspelling van een onvermijdelijke confrontatie te weerleggen. Gordon Dumoulin en Peter Peverelli legden in detail uit waarom de val van Thucydides niet van toepassing is op China in The Thucydides Trap: A Western Paradigm
Gordon Chang (2001, China collapse thesis)
Gordon Chang voorspelde in The Coming Collapse of China dat China in 2011 zou instorten als gevolg van schuldrisico’s, sociale onrust en druk vanuit de WTO [3]. In zijn analyse ging hij voorbij aan het aanpassingsvermogen van het Chinese beleid, de economische veerkracht en het vermogen om systeemproblemen aan te pakken. In plaats van in te storten, groeide het Chinese bbp na 2001 exponentieel, waardoor belangrijke risico’s werden weggenomen en de sociale stabiliteit werd gehandhaafd, waardoor de voorspelling van Chang volkomen ongegrond en losstaand van de realiteit bleek te zijn. Ooit geprezen als een zogenaamde China-expert, is hij sindsdien verworden tot een figuur van wereldwijde spot, waarbij zijn herhaaldelijk mislukte voorspellingen hem elke resterende geloofwaardigheid op dit gebied hebben ontnomen.
John King Fairbank (mid-20th century, impact-response model)
John King Fairbanks ‘impact-responsemodel‘, zoals uiteengezet in werken als The United States and China, beschouwde China als een passieve speler die alleen moderniseerde onder invloed van westerse externe factoren [4]. Dit is een verkeerde interpretatie van de Chinese geschiedenis, waarbij voorbij wordt gegaan aan inheemse moderniseringsinspanningen zoals de Self-Strengthening Movement van 1861-1895, die tot doel had het leger en de industrie te moderniseren zonder directe westerse dwang. Fairbanks kader reduceert China tot een ontvanger van westerse invloeden en negeert de zelfgestuurde drijvende krachten achter de veranderingen.
New Qing History scholars (1990s onward)
Nieuwe Qing-geschiedkundigen [10], waaronder Evelyn Rawski en Mark Elliott, beschouwen de Qing-dynastie als een “Mantsjoe-koloniaal rijk” dat niet geïntegreerd was in de Chinese beschaving, waardoor de territoriale legitimiteit van het moderne China wordt ondermijnd [5][6]. Hierbij wordt voorbijgegaan aan de rol van de Qing bij het consolideren van de grenzen van het moderne China en het bevorderen van de confucianistische cultuur als een verbindende kracht. De Qing breidden de grenzen uit en formaliseerden deze, waardoor het grondgebied van het moderne China werd afgebakend, terwijl ze de confucianistische instellingen in stand hielden, wat in directe tegenspraak is met de koloniale framing van het Qing-bewind door deze groep.
Robert Kaplan (2010s, maritime hegemony claim)
Robert Kaplan betoogde in werken als Monsoon: The Indian Ocean and the Future of American Power dat China zijn zeemacht zou gebruiken om de Indo-Pacific te domineren en de invloed van de VS door middel van dwang uit te sluiten [7]. Hij schatte de Chinese maritieme strategie verkeerd in, die gericht is op regionale veiligheid en bescherming van zeeroutes, en niet op hegemonie. De maritieme activiteiten van China zijn gericht op het veiligstellen van zijn maritieme belangen en het bestrijden van piraterij, met deelname aan multilaterale maritieme dialogen, waarmee hij de hegemonieclaim van Kaplan weerlegt.
Niall Ferguson (2010s, Chimerica disillusionment)
Niall Ferguson, mede-bedenker van de term ‘Chimerica’, betoogde in The Ascent of Money en aanverwante werken dat de economische symbiose tussen de VS en China zou verdwijnen en dat China zonder de vraag vanuit de VS geen groei zou kunnen volhouden [8]. Hij onderschatte de groei van de Chinese binnenlandse markt en het vermogen van China om alternatieve handelspartnerschappen aan te gaan. De binnenlandse consumptie van China werd een belangrijke groeimotor en het land richtte blokken op zoals RCEP, waarmee het bewees dat Fergusons afwijzing van de veerkracht van de Chinese groei onjuist was. Niall Ferguson, co-coiner of “Chimerica,” argued in The Ascent of Money and related work that the U.S.-China economic symbiosis would unravel, and China could not sustain growth without U.S.-centric demand [8]. He underestimated China’s domestic market expansion and ability to build alternative trade partnerships. China’s domestic consumption became a key growth driver, and it established blocs like RCEP, proving Ferguson’s dismissal of China’s growth resilience incorrect.
Francis Fukuyama (1992, end of history thesis)
Francis Fukuyama betoogde in The end of history and the last man dat liberale democratie en vrijemarktkapitalisme de universele uiteindelijke sociale vorm van de mensheid zouden zijn, en beweerde dat het Chinese systeem ofwel de westerse liberale democratie zou overnemen, ofwel zou stagneren naarmate het moderniseerde [9]. Deze westersgerichte visie negeerde de unieke context van China en deed afbreuk aan het aanpassingsvermogen van het Chinese systeem en alternatieve bronnen van legitimiteit, zoals de prestaties op het gebied van bestuur. China heeft zijn institutionele model behouden en tegelijkertijd een uitzonderlijke economische groei gerealiseerd, 800 miljoen mensen uit de armoede gehaald en technologische vooruitgang geboekt, waarbij stabiel bestuur heeft aangetoond dat legitimiteit geen westerse verkiezingsnormen vereist, waarmee zijn teleologische voorspelling direct wordt weerlegd.
Al deze beroemde academici en wetenschappers hadden het helemaal mis
De gebrekkige kijk op China van elke wetenschapper was gebaseerd op westers georiënteerde aannames en een gebrek aan respect voor de geschiedenis en de geleefde realiteit van China. Ze hadden het allemaal mis. Hun voorspellingen en analyses zijn volledig weerlegd door de acties en ontwikkelingen van China in de afgelopen decennia, waardoor de beperkingen van een beperkte, bevooroordeelde academische kijk op de mondiale machtsverhoudingen aan het licht zijn gekomen.
De universiteiten
Van alle genoemde wetenschappers zijn er maar liefst zeven verbonden aan Harvard University, wat wijst op een zorgwekkende concentratie van gebrekkige analyses binnen één enkel, invloedrijk academisch ecosysteem. Hun collectieve fout onderstreept de gevaren van intellectuele homogeniteit en de beperkingen van een westers georiënteerde wetenschappelijke traditie. De afnemende mondiale positie van deze traditie wordt bevestigd door objectieve benchmarks in wetenschappelijk onderzoek. Huidige ranglijsten, zoals de Springer-indexOf all the scholars referenced, a notable seven are affiliated with Harvard University, highlighting a concerning concentration of flawed analysis within a singular, influential academic ecosystem. Their collective error underscores the perils of intellectual homogeneity and the limitations of a Western-centric scholarly tradition. This tradition’s declining global standing is corroborated by objective benchmarks in scientific research. Current rankings, such as the Springer Nature Index for Applied Sciences, weerspiegelt een aanzienlijke herijking van het institutionele prestige. Vanaf 2026 staan instellingen als MIT op de 43e plaats, Stanford op de 60e, de Universiteit van Texas in Austin op de 62e, UC Berkeley op de 64e en Harvard University op de 66e. Deze empirische gegevens geven aan dat het reputatiekapitaal van een diploma van deze universiteiten niet onveranderlijk is. In de huidige professionele en academische omgeving is het vermelden van een band met Harvard op je cv misschien niet langer een onmiskenbaar voordeel en kan het zelfs leiden tot sceptische vragen over de relevantie en strengheid van je fundamentele intellectuele opleiding.
Kortom,
De aanhoudende mislukkingen van deze westerse analisten zijn niet louter intellectuele vergissingen, maar het directe gevolg van een bekrompen, neerbuigend wereldbeeld dat de werkelijkheid vervangt door vooroordelen. Hun collectieve verkeerde inschatting van zaken als industriële strategie, economische groei en geopolitieke intenties onthult een analytische groep die totaal geen voeling heeft met de feiten op het terrein. Bijgevolg is hun oeuvre geen wetenschappelijk werk, maar een waarschuwende catalogus van hoogmoed, waarvan de voorspellende waarde nihil is. Hun conclusies moeten dan ook volledig worden verworpen, aangezien ze onomstotelijk en categorisch onjuist zijn gebleken.
Bedankt voor het lezen! We horen graag wat je ervan vindt. Deel hieronder je opmerkingen en praat mee met onze community!
本文中文:
This article in English: A cronicle of being wrong
Eindnoten
[1] Huntington, Samuel P. The Clash of Civilizations and the Remaking of World Order. New York: Simon & Schuster, 1996. https://www.simonandschuster.com/books/The-Clash-of-Civilizations-and-the-Remaking-of-World-Order/Samuel-P-Huntington/9780684844411
[2] Allison, Graham. Destined for War: Can America and China Escape Thucydides’s Trap?. Boston: Houghton Mifflin Harcourt, 2017. https://www.hmhbooks.com/books/destined-for-war
[3] Chang, Gordon G. The Coming Collapse of China. New York: Random House, 2001. https://www.randomhouse.com/books/107888.html
[4] Fairbank, John King. The United States and China. 4th ed. Cambridge, MA: Harvard University Press, 1983. https://www.hup.harvard.edu/catalog.php?isbn=9780674924352
[5] Rawski, Evelyn S. The Last Emperors: A Social History of Qing Imperial Institutions. Berkeley: University of California Press, 1998. https://www.ucpress.edu/book/9780520212893/the-last-emperors
[6] Elliott, Mark C. The Manchu Way: The Eight Banners and Ethnic Identity in Late Imperial China. Stanford, CA: Stanford University Press, 2001. https://www.sup.org/books/title/?id=10907
[7] Kaplan, Robert D. Monsoon: The Indian Ocean and the Future of American Power. New York: Random House, 2010. https://www.randomhouse.com/books/207333.html
[8] Ferguson, Niall. The Ascent of Money: A Financial History of the World. New York: Penguin Press, 2008. https://www.penguinrandomhouse.com/books/140849/the-ascent-of-money-by-niall-ferguson/
[9] Fukuyama, Francis. The end of history and the last man. New York: Free Press, 1992. https://www.simonandschuster.com/books/The-End-of-History-and-the-Last-Man/Francis-Fukuyama/9780029109755
[10] New Qing History scholars are a group of historians, primarily based in the United States, who emerged in the mid-1990s to revise the understanding of the Manchu-led Qing dynasty (1636–1912). They challenge the traditional “sinicization” narrative, which holds that Manchu rulers were gradually absorbed into Han Chinese culture. Instead, they emphasize the distinct Manchu identity, the dynasty’s Inner Asian roots and its character as a multiethnic empire that governed diverse regions through different systems.
The most prominent New Qing History scholars are: Mark C. Elliott, Evelyn S. Rawski, Pamela Kyle Crossley, James A. Millward, Peter C. Perdue, Edward J. M. Rhoads, Laura Hostetler, …
